cares alcohol-and-health vad-is-bezorgd-over-de-verregaande-samenwerking-rond-verantwoord-drinken-tussen-de-ku-leuven-uz-leuven-en-de-stad-leuven-met-bierproducent-ab-inbev

VAD is bezorgd over de verregaande samenwerking rond verantwoord drinken tussen de KU Leuven, UZ Leuven en de stad Leuven met bierproducent, AB-Inbev.


Dat de universiteit, de ziekenhuizen en de stad initiatieven ondersteunen op vlak van gezondheid en alcoholgebruik is zeker welkom. De rol van de alcoholindustrie daarin roept echter vragen op.

In welke mate kan consequent samengewerkt worden met producenten die nu eens uitpakken met inspanningen voor ‘verantwoord drinken’ en tegelijk massa’s geld investeren in marketing die zich louter richt op toename van de alcoholconsumptie? Is het verstandig bij het ontwikkelen van gezondheidsinitiatieven producenten mee te laten beslissen op inhoudelijk vlak?

Bier, dat met liefde wordt gebrouwen, zou volgens de producenten met verstand moeten gedronken worden. Deze slogan legt de verantwoordelijkheid sterk bij de individuele gebruiker. Alcohol zelf schakelt echter verstandelijke functies uit en bovendien zetten producenten in op marketing en het ontwikkelen van drinkgewoontes die verstandelijke overwegingen proberen voor te zijn. Eén en ander vormt een persisterende paradox die consumptie van alcohol in de hand werkt en bij problemen de producenten en leveranciers uit de wind zet.

VAD (het Vlaams expertisecentrum voor Alcohol en andere Drugs) meent dat vertrouwen in deze samenwerking essentieel misplaatst is en publiceerde in 2016 haar visie rond ‘niet samenwerken met de alcoholindustrie’. De rode draad hierin is het voor de hand liggend belangenconflict: vanuit een gezondheidsperspectief hanteren we de doelstelling: hoe minder alcohol hoe beter. Deze staat lijnrecht tegenover de belangen van de industrie (hoe meer verkoop, hoe meer winst, hoe beter).

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waarschuwde reeds in 2010 in haar Global Strategy, die door 193 landen, waaronder België werd onderschreven, voor de “conflict of interest” tussen de commerciële belangen en de gezondheidsdoelstellingen, bij de samenwerking met de private sector. Margaret Chan, tot 2017 directeur generaal van de WHO, stelt duidelijk dat het niet aan de alcoholindustrie is om zelf preventieve activiteiten naar het grote publiek toe op te zetten. En ze benadrukt dat er geen zweem van belangenvermenging mag zijn tussen wetenschappers, gezondheidswerkers en de belangen van industriële spelers of de investeringsmaatschappijen achter hen. De WHO roept overheden en ngo’s op om kritisch toe te kijken op het gedrag van de alcoholindustrie. De WHO roept nationale overheden tevens op om werk te maken van een nationaal alcoholplan. Dit zorgt er immers voor dat de overheid haar verantwoordelijkheid opneemt en geen ruimte laat voor de alcoholindustrie om dit terrein naar eigen goeddunken in te nemen.

Leuven als pilootproject

In het kader van de Global Smart Drinking Goals van AB Inbev worden in 6 pilootsteden in verschillende continenten (waaronder Leuven voor Europa) samenwerkingsprojecten opgezet met een gigantische investering van 1 miljard dollar wereldwijd. Leuven is het enige project met een verregaande samenwerking met de stad en de universiteit. En dat wordt publicitair duidelijk in de verf gezet, nog voor de start van het project.

Met dit project wil men ’consumenten slimme keuzes laten maken om tegen 2020 het schadelijk gebruik van alcohol met 10% terug te dringen.’

Maar komen verantwoord en schadelijk gebruik van alcohol voor een bierbrouwer overeen met wat de wetenschap zegt? Goed gedocumenteerde ervaringen van samenwerking tussen universiteit en alcoholindustrie wijzen erop dat dergelijke joint ventures geen lang leven beschoren zijn. Zo verlaten wetenschappers in groep de samenwerking uit ontevredenheid over de wetenschappelijke vrijheid. Het is de WHO die vastgesteld heeft dat er in die campagnes doorgaans gekozen werd voor weinig effectieve methoden (bv. ‘sociale normen veranderen’) waardoor dié methodieken worden vermeden die wél hun effect hebben bewezen en door de WHO worden aanbevolen. Zo wenst de industrie bijvoorbeeld geen prijsverhoging door taxatie, geen beperking van de beschikbare verkooppunten en geen beperkingen op de reclame, terwijl dit de meest effectieve maatregelen zijn om de overconsumptie van alcohol tegen te gaan.

Wat zijn de beste preventie methodieken en wie moet die in de praktijk brengen? Dient een alcoholproducent medezeggenschap te krijgen in preventiewerk, ook al is dat : ‘...in samenwerking met de universiteit en haar specialisten op dat domein’ of moeten we, om geloofwaardig te blijven, een duidelijk onderscheid maken tussen de rollen van de verschillende stakeholders? Sporen marktonderzoek en gezondheidsonderzoek niet gevaarlijk dicht bij elkaar? Wat als AB-Inbev onderzoek wil doen naar houdingen en normen bij middelbare scholieren? Zijn professoren nog geloofwaardig wanneer ze advies gaan uitbrengen over wat een voor de gezondheid aanvaarbare frequentie van alcoholgebruik is? Is het op de markt brengen van alcoholvrije en alcoholarme producten onder dezelfde merknaam behulpzaam als schadebeperking, of verleidt het meer en jongere klanten om onbezorgd in te stappen?

Standpunt VAD

VAD kiest ervoor om niet in te gaan op de vraag naar samenwerking met de alcoholindustrie en dit omwille van volgende belangenconflicten:

  • De alcoholindustrie beoogt een grotere omzet en wil dat (nog) meer mensen meer alcohol gaan drinken. Inzetten op preventie is in deze context louter voor de schone schijn en dus weinig geloofwaardig;
  • Vanuit gezondheidsperspectief hanteren we ‘hoe minder hoe beter’ (WHO). Deze doelstelling staat lijnrecht tegenover de doelstellingen van de alcoholindustrie;
  • Ook al probeert de alcoholindustrie het negatieve imago van problematisch alcoholmisbruik van zich af te schudden, toch is het net de groep van 20% problematische drinkers die zorgen voor 50 tot 75% van hun omzet;
  • Door op een aantal geïsoleerde en weinig effectieve maatregelen en domeinen samen te werken met overheid, universiteiten en ngo’s, verzekert de alcoholindustrie zich van een preventief imago, terwijl men effectieve beleidsmaatregelen (de WHO ‘Best Buys’: prijsbeleid, beschikbaarheid en marketing) tegenwerkt;
  • Door de betrokkenheid van de alcoholindustrie in wetenschappelijk onderzoek mist dit onderzoek en de aanbevelingen die eruit volgen, elke vorm van geloofwaardigheid.

    Ieder zijn rol

    VAD moedigt de alcoholindustrie aan om op hun terrein stappen te zetten, zoals het opleiden van barpersoneel om leeftijdsgrenzen te respecteren, door correct te informeren op de etiketten, het promoten van bv. bieren met lager alcoholgehalte of het aanbieden van alcohol in kleinere verpakkingen, enz. Het is niet de rol van de alcoholindustrie om het drinkgedrag bij het grote publiek te beïnvloeden of ouders te zeggen hoe ze hun kinderen best op een verantwoordelijke manier met alcohol leren omgaan. Van de industrie verwachten we wel dat ze de overheidsrestricties respecteren en deze niet hinderen door lobbywerk of het aanspannen van rechtszaken.

    Marijs Geirnaert, directeur – 0495 367679
    Paul Van Deun, voorzitter